Het productieproces van wol

Wol

is een dierlijk product dat wordt geleverd door schapen. Het is levend materiaal dat in alle stadia van de productie kwetsbaar is. De hoofdbewerking die de wol moet ondergaan, zijn in de meest gebruikelijke volgorde van het industriële productieproces het wassen, het verven, het spinnen (bestaande uit het duivelen, voorspinnen of kaarden en fijnspinnen), het twijnen en spoelen, het ketting scheren, het weven, het stoppen en de nabewerkingen of het appreteren (nat- en droogappretuur). Tal van neven- en tussenbewerkingen en het gebruik van verschillende soorten wol maken het eigenlijke productieproces gecompliceerder. Een aantal van de hier genoemde fasen van wolbewerking is in het Nederlands Textielmuseum ‘werkend’ te zien.




Verven

 

Wassen

Voorzichtig verwijderen van vuil en ongerechtigheden uit de wol. Vervilting moet worden voorkomen en er mag geen brosse vezel ontstaan.


Verven

Door verhitting en het toevoegen van aanvankelijk natuurlijke en later chemische bestandsdelen kleuren van de wol. Dit kan in verschillende stadia van het productieproces Vlokverven wanneer de ruwe wol wordt geverfd. Ook garen verven of stukverven.


Duivelen

Ontwarren en mengen van diverse soorten wol met behulp van een machine bestaande uit een grote wals en eromheen draaiend kleinere walsen. De walsen zijn voorzien van grote grove tanden.


Duivelen

 

Kaardassortimenten en kaarden

Machines bestaande uit een opstelling van achter elkaar staande werktuigen met een grote sneldraaiende trommel (tambour) en daarop kleinere walsen (travailleurs). De trommel en de walsen zijn voorzien van staaldraadtandjes. Het kaarden of voorspinnen zorgt ervoor dat de wolvezels parallel komen te liggen. Er ontstaan dan een vlies dat in reepjes verdeeld wordt en tot een lont wordt gedraaid, het zogeheten voorgaren.

Een uitgebreidere uitleg over het kaarden is hier te vinden.


 

Spinnen

Het zodanig oprekken en draaien van het lont of voorgaren dat een draad ontstaat. Spinnen gebeurde aanvankelijk met selfactors of discontinue spinmachines. In horizontale richting liep een deel van de machine met het lont ‘weg’ van de klossen met voorgaren. Het lont werd hierdoor uitgerekt, terwijl tegelijkertijd een draaiende beweging werd gemaakt. Vervolgens werd het garen dat ontstaan was, opgewonden op de pijpen. Later kwamen de ringspinmachines of continue spinmachines. Hier vindt een soortgelijke beweging plaats, maar nu verticaal. Bovendien gaat de uitrekkende en draaiende beweging continu door. De productie kan dus aanmerkelijk groter zijn.

Spinnen

Twijnen of twernen

Het in elkaar draaien van twee of meer draden tot een draad.


Spoelen

Het overbrengen van garen van pijpen op grotere klossen of andersom. Het spoelen is het proces van op- en afwinden van het garen.

 

Kettingscheren

Kettingscheren

De garens van op rekken geplaatste klossen worden volgens een vooraf bepaald patroon afgewonden. Hier ontstaan de kettingdraden, de basis van het weefsel. Om de draden glad en sterker te maken werd vroeger de ketting nog gelijmd. Dit noemt men kettinglijmen.

 

Weven

Een proces waarbij de kettingdraden en de inslagdraden ineen gewerkt worden. In de eenvoudigste vormen worden de kettingdraden om de andere draad omhoog geheven. Door de opening (de sprong) wordt de spoel met het inslaggaren geschoten. Naarmate de patronen ingewikkelder worden, wordt ook het hierboven beschreven weefproces gecompliceerder. Met jaquardgetouwen , genoemd naar de Fransman J.M. Jacquard, konden willekeurige patronen (fantasiestoffen) geweven worden. Het systeem was zodanig dat de kettingdraden individueel gestuurd konden worden.


 

Weven

Noppen en stoppen

Het wegwerken van fouten die tijdens het weven zijn ontstaan. Bij noppen gaat het om het verwijderen van knoopjes, pluisjes en andere kleine onregelmatigheden. Stoppen is het herstellen van weeffouten door ontbrekende draden onzichtbaar in het weefsel te brengen precies volgens het dessin.

 

Vollen

Appretuur

Dit zijn de nabewerkingen die gezicht en karakter geven. Er was een nat- en een droogappretuur. Plessen is het wassen van de stof in een zeepbad. Sommige weefsels worden eerst gevold. Vollen is het kneden van de stof zowel in de lengte als de breedte. Er werden chemicaliën toegevoegd. Vollen is een verviltingsproces. Na het drogen kan de stof vervolgens geruwd worden. Ruwen gebeurde door de stof langs een wals met natuurdistels (tegenwoordig vervangen door staalgarnituur) te laten lopen waardoor een ruwer, harig oppervlak ontstond. Soms is carboniseren nodig: door zuren en een verkolingsproces worden kleine plantaardige verontreinigingen verwijderd.  In de droog-appretuur ondergaan de stoffen bewerkingen als scheren, persen en decatiseren. Scheren is het afsnijden van uitstekende vezels van het stofoppervlak aan. Bij persen wordt de stof door middel van druk en hitte letterlijk geperst of platter gemaakt. Decatiseren gebeurt om de appretuurbewerkingen te fixeren. Men gebruikt daarvoor een trommel met perforaties waardoor stoom werd geblazen. Na een eindcontrole worden de stoffen ingepakt en in het magazijn gelegd tot ze verzonden moeten worden. Behalve deze opslagruimte is er een wolmagazijn en een garenmagazijn.

 

Ruwen