Kinderarbeid

Zo begon de kinderarbeid:
Halverwege de 19e eeuw was de tijd van de Industriele Revolutie. Toen werden de eerste fabrieken in Nederland gebouwd. Dat was een gevolg van de uitvinding van de stoommachine. Die kon weer andere machines laten draaien, zoals spinmachines in een textielfabriek. Rond 1860 werkten een half miljoen Nederlandse kinderen in fabrieken. Het werk was gevaarlijk en ongezond. En er was geen tijd om naar school te gaan. Toch stuurden veel ouders hun kinderen naar een fabriek. Ze moesten wel, ze waren arm. En dan is elke stuiver meegenomen.

Kinderarbeid heeft altijd bestaan:
Ook voor de komst van de industrie werkten kinderen. Ze hielpen hun
ouders met wieden, aardappelen rapen of bonen plukken. In veel gezinnen deed men aan huisnijverheid. Het ene gezin maakte schoenen, een ander klompen of sigaren. Door te spinnen en te weven  maakte men stoffen voor kleding. Men vlocht matten en manden of knoopte tapijten. Dat werk deed men meestal gewoon in de huiskamer. Het hele gezin werkte mee, ook kinderen van 4 of 5 jaar.

Werken in fabrieken verboden:
Thuis werken is wat anders dan werken in een gevaarlijke fabriek. Fabriekskinderen moesten wel twaalf uur per dag werken. Ze kregen slecht te eten en met de hygiene was het droevig gesteld. Velen waren ziekelijk. De kindersterfte was enorm hoog: meer dan vijftig procent. Steeds meer mensen vonden dat fabriekswerk voor kinderen verboden moest worden. In 1874 werd er een wet gemaakt genaamd het kinderwetje. Die verbood werken in de industrie onder de 12 jaar.