![]() |
| home :: profiel :: mail ons :: sitemap :: over :: zoek :: woordenlijst :: gastenboek :: |
|
|||
Energie is de mogelijkheid arbeid te verrichten. Maar hoe je je energie dan precies moet voorstellen weet niemand. Wél kun je je er een beeld van vormen door te kijken naar tot wat energie allemaal in staat is; elektrische energie kan een elektromotor laten draaien en een gloeilamp laten branden, chemische energie laat een batterij werken en een kneedbom ontploffen. Wij mensen kunnen direct zeggen of er in een bepaalde situatie energie in het spel is of niet, maar het ding zélf kunnen we niet snappen.
Wat intelligentie concreet is heeft net zoals
bij energie nog geen wetenschapper ontdekt. Maar net zoals
bij energie is intelligentie wél te herkennen en je kunt
er zelfs een definitie van geven door die symptomen te beschrijven.
Een erg aardige is die van de Amerikaanse psycholoog Wechsler uit 1958:
Intelligentie is de totaliteit van alle capaciteiten van een individu
om doelmatig te handelen, rationeel te denken en doeltreffend om te gaan
met de omgeving. Hoewel intelligentie zo lastig te definiëren en te bestuderen is heeft de wetenschap zo zijn die geleerden nou eenmaal tóch geprobeerd zoiets vaags als intelligentie te vangen in een getalswaarde: het Intelligentie Quotiënt, afgekort IQ . Hiervoor hebben biologen en eigenlijk vooral psychologen die toch eigenlijk wat meer neigen de geest los van en niks te maken hebbend met de hersenen te zien (en dus, en nu ga ik iets héél fouts zeggen, minder nuchter-wetenschappelijk bezig zijn) de bekende IQ testen ontworpen waarvan er een hele hoop in omloop zijn. Deze testen bestaan uit een aantal opgaven die de testpersonen binnen een bepaalde tijd moeten oplossen. De vragen zijn eigenlijk altijd van een dergelijke aard dat iedereen geschoold en ongeschoold ze kan snappen en maken. En ook al komt je IQ niet boven je schoenmaat uit, je kunt eigenlijk altijd wel het goede antwoord op iedere vraag vinden. Het gaat er bij een IQ test dan ook niet om óf je de vragen kunt beantwoorden, maar hoeveel tijd je ervoor nodig hebt. Het doeltreffend met de omgeving omgaan van Wechsler houdt namelijk ook in dat je rap genoeg op deze kunt reageren. Sommige IQ testen zijn beter dan anderen. Er zijn bijvoorbeeld wat ouderwetsere testen die maar naar drie onderdelen van je verstand kijken: redeneervermogen, taalgebruik en rekenvaardigheid. Bredere en waarschijnlijk dus wat representatievere testen nemen vaak ook geheugen, uitdrukkingsvermogen en ruimtelijk inzicht mee. Maar hierbij heb je weer het probleem of geheugen wel tot de intelligentie behoort. Een goed geheugen is natuurlijk nuttig in het dagelijks leven, dus volgens de definitie van Wechsler hoort het er wel degelijk bij, maar gevoelsmatig vind je misschien weer juist van niet. Ook hieruit blijkt weer wat een verschrikkelijk lastig onderwerp intelligentie is. Het grote nadeel van de gangbare IQ testen is dat ze eigenlijk alleen je rationele intelligentie meten; als je intelligentie omschrijft als het algemeen goed weten te functioneren in de maatschappij, dan horen daar ook sociale vaardigheden bij. Sociale intelligentie is dan ook een vorm van intelligentie. Maar sociale intelligentie is weer vrij lastig te meten; je kunt wel meerkeuzevragen gaan bedenken met één antwoord dat weergeeft dat je gewetensvol bent en één antwoord waaruit spreekt dat je eigenlijk ontzettend aso bent, maar de personen die die test gaan maken voelen dat meestal ook wel aan. De kans is er dus dat ze niet gaan invullen wat ze écht zouden doen als ze een keer in zon situatie zouden komen, maar wat ze denken dat de toetsmaker het goede antwoord vindt. Maar als je nou gewoon even die bezwaren overboord gooit en terugdenkt aan de titel van deze tekst intelligentievormen kun je nu dus twee vormen van intelligentie aanwijzen: rationele en sociale. Het ligt voor de hand dat je die twee nog verder
kunt onderverdelen. In theorie kan dat ook wel, maar in praktijk is dat
heel erg lastig; geen twee vormen van intelligentie zijn immers gelijk;
de één is bijvoorbeeld geweldig goed in het onthouden van
telefoonnummers, de ander kan erg goed ezelsbruggetjes bedenken waarmee
hij of zij een telefoonnummer kan onthouden. Dit zijn twee geheel verschillende
talenten direct numeriek geheugen tegenover het indirect onthouden
van getallen door middel van woorden die precies hetzelfde eindresultaat
geven: het onthouden van dat ene telefoonnummer. IQ scores
Geleerde idioot Anderen kunnen na het eind van een balletvoorstelling
je tussen neus en lippen even meedelen dat de dansers samen 239.012 stappen
hebben gemaakt. Eén van de onderzoekers hield bij wat dit ventje deed tijdens het uit zijn hoofd (!) maken van deze aardige som. Terwijl hij bezig was tolde hij opgewonden door de kamer. Ook trok hij zijn broekspijpen steeds over de schacht van zijn schoenen, kloof hij op zijn handen, rolde met de ogen, begon soms te lachen en te praten en scheen dan weer heftige pijnscheuten te voelen. Het absoluut verbazingwekkende aan een geleerde idioot is dat hij behalve dat ene ding dat hij enorm goed kan verder mentaal achter is gebleven, alsof die ruimte in zn hoofd nodig is voor het zo goed kunnen uitvoren van die ene taak. Vandaar natuurlijk geleerde idioot. Een tweeling die binnen enkele seconden kon vertellen op welke data de zondagen vielen van een jaar dat al eeuwen geleden was had bijvoorbeeld maar een IQ van 70. Een nog extremer voorbeeld is dat van Alonzo Clemens, die werkelijk kunstige diersculpturen kan maken. Deze zijn zó levensecht dat hij met de verkoop van zijn kunst ruim in zn onderhoud kan of kon; ik weet niet of hij nog leeft voorzien. Zijn IQ is echter maar ongeveer 40, terwijl 100 toch echt het gemiddelde is. Einstein Ook bij Einstein moet dus sprake zijn geweest van
een ongekend talent op het ene gebied ten koste van een ander gebied.
Alleen is bij hem het gebied waar hij talent voor had véél
en véél groter dan bij de tot nu toe bekende geleerde idioten
en is het tekort op die andere andere gebieden juist weer véél
kleiner geweest. Pas in 1985, 30 jaar na Einsteins dood, werd er iets gevonden. Einsteins hersenen bleken net iets meer gliacellen te bevatten dan de meeste andere breinen. Gliacellen zijn echter alleen maar een soort bindweefsel; je gebruikt ze niet voor het denken zelf. Opmerkelijk is wel, dat deze cellen de eigenlijke hersencellen van voeding moeten helpen voorzien. Maar ik tikte net de meeste andere breinen. Er zijn dus ook anderen die evenveel gliacellen hadden als Einstein maar niet zo slim waren. De ontdekking uit 1985 is dus niet dé ontdekking geweest mocht die er al ooit komen. Intelligentie heeft zn geheimen dus ook in
de 20e eeuw niet prijs gegeven en of de 21e eeuw daarin gaat slagen, dat
is zo vroeg écht nog niet te zeggen. |
|
|
| Test je kennis van deze tekst! Klik hier om deze test te doen, die je ook in je profiel kunt opslaan. |